In gedachten verplaatsen we ons naar tol no. 9 aan de Apeldoornsestraat. De geschiedenis die wij u willen vertellen speelt zich lang geleden af in de tijd dat de weg Amersfoort-Apeldoorn nog niet verhard was en men nog geen kuikenbroederijen kende. Aan de rechterzijde van de weg bevond zich het .Kleftveen", een grote waterplas met daar omheen een onafzienbare heidevlakte met hier en daar wild struikgewas. Je kon hier twee uren lopen in alle richtingen zonder een huis of een hut tegen te komen want het rolvuur zorgde er voor dat ze telkens afbrandden. Eén hut, of liever een heihoop, stond er nog, vlak bij de waterplas. Ze had de vorm van een bijenkorf met een gat bovenin waardoor de rook kon ontsnappen. De ingang van de hut was twee voet hoog en breed, zodat men op handen en voeten naar binnen moest kruipen. Een zware heiplag deed als deur dienst. De hut was trouwens stevig van konstruktie. Grote heiplaggen waren met houten pennen aan elkaar bevestigd; de groei van de heidewortels had er voor gezorgd dat het één massief bouwwerk was geworden. Meubels waren in de hut niet aanwezig en ook kookgerei ontbrak op één ijzeren pot na waaruit de bewoner zijn maaltijden nuttigde. Die bewoner was de schrik van de buurt; een ware boeman! Zijn hoekig gezicht was donkerbruin van kleur. Hij had een vooruitstekende kin die bijna zijn kromme, gebogen neus raakte. De kleine, grijze ogen lagen diep verscholen in de oogkassen. Zijn grote, spitse oren staken boven de rand van zijn ruige pet uit. Naast een tandeloze mond bezat deze "Adonis" een grote hoeveelheid rossig haar dat van açhteren "ragebolvormig" tot op zijn rug groeide en van voren als een rietdak over zijn gezicht hing. Het was een gespierde kerel, breed en kompakt van bouw, zonder een onsje vet op het lijf. Waarvan hij leefde wist niemand want werken deed hij niet. Door zijn afzichtelijk uiterlijk had men hem de bijnaam "Lelijke Kees" gegeven. Lelijke Kees werd als de oorzaak van het rolvuur beschouwd omdat de mensen het meestal vlak bij zijn hut zagen flikkeren, waar het op en neer danste en vandaar over het heideveld voort rolde. Mijnheer pastoor - want in de tijd waarin dit verhaal speelt waren er nog geen protestanten in ons land - had zijn parochianen aangeraden om die plaats nooit te passeren zonder een rozenkrans bij zich te dragen en voortdurend te bidden en kruisjes te slaan. De angst voor Lelijke Kees was begrijpelijk; naast zijn "bemoeienissen" met het rolvuur, speelde hij 's nachts voor weerwolf en moet hij zeer bedreven zijn geweest in het bokkenrijden. 

Kees reed 's nachts dikwijls naar de Bloksberg waar hij in het gezelschap van heksen verkeerde. Van hen leerde hij hoe hij zich in allerlei gedaanten kon veranderen. Zo had men hem als een grote kat gezien, als een nachtuil of een andere grote vogel, maar altijd met vlammende ogen. Alle honden sloegen 's nachts aan als ze zijn gestalte in de verte aan zagen komen. Het was een naargeestig gehoor waardoor velen wakkerschrokken en ijlings een kruisje sloegen. ,,Hoor, Lelijke Kees", fluisterde men dan tot elkaar, waarna men huiverend de dekens om zich heen trok, vol angst en beven of men niet spoedig het geknetter van vlammen zou horen. Zo dwaalde hij, in verschillende gedaanten jaren achtereen over de heidevelden en door de buurschappen, tot de dag waarop de bewoners van deze streek van zijn aanwezigheid verlost zouden worden. De Spanjaarden die tijdens de Tachtigjarige oorlog ook op de Veluwe verblijf hielden, hoorden het verhaal van de weerwolf met zijn rolvuur. Er werd een expeditie uitgerust. De hut van Lelijke Kees werd in brand gestoken en hij zelf vermoord .... Legende of waarheid? Zullen we het maar op het eerste houden? Of is het u ook wel eens opgevallen dat er 's nachts, zo om een uur of twee, dikwijls een grote zwarte kat zit bij de uitmonding van "Het Kieftveen" aan de Apeldoornsestraat?