DE GEBOORTE VAN DE VOORTHUIZER VRIJWILLIGE BRANDWEER

, , De rook stijgt op van dak en goot, De vlam slaat uit vensters en ramen:
,,Brand!", dreunt het, ,,Brand!" en 't volk stroomt zamen, En elk wil helpen in de nood".

Zo luidt het eerste couplet van een gedicht dat voorkomt in een oude agenda van de Amsterdamse Stads Armen Scholen. Hieruit blijkt duidelijk dat de oervorm vanbrandbestrijding berustte op burenhulp. Later werd deze hulp door de plaatselijkeoverheid gereglementeerd. Het Brand-reglement van 15 januari 1819 is hier een voorbeeld van. De gemeenteraad van het schoutambt Barneveld stelde dit reglement vast omdat het oude, daterende uit 1772, niet meer toereikend werd geacht. De nieuwe verordening bevatte bepalingen met betrekking tot het toezicht op de blusmiddelen, maatregelen ter voorkoming van brand en maatregelen welke getroffen moesten worden wanneer er toch een brand was uitgebroken.

Hoe te handelen bij het uitbreken van een brand? Het slachtoffer was in 1819 verplicht hiervan zijn naburen terstond mededeling te doen door het uitroepen van het woord "brand"; deed hij dit niet, dan mocht hij rekenen op drie gulden boete. Vervolgens was iedere ingezetene verplicht, wanneer hij de kerkklok hoorde luiden een ton, kuip of emmer water buiten te plaatsen en, mocht de brand des nachts plaatsvinden, een brandende lantaarn voor gebruik gereed te houden.

Het oppertoezicht bij de brandweer berustte, zoals ook thans nog het geval is, bij de burgemeester, in 1819 nog schout geheten. Onder zijn direkt bevel stonden de opperbrandmeesters. Als teken van waardigheid droegen dezen een lange, witte stok met daaraan een plaat met opschrift: , , Opperbrandmeester". De brandmeesters voerden eveneens een witte stok, doch van kleiner formaat en zonder opschrift.

De brandmeesters moesten er mede op toezien dat de spuitgasten zich behoorlijk van hun taak kweten en hun orders nakwamen. Onwil, tegenspraak of belediging werd gehonoreerd met een boete die varieerde van 1 tot 7 gulden.

In elk dorp bestond een brandwacht. Deze brandwacht stond onder bevel van de kapitein der schutterij of een ander door de gemeenteraad aangesteld persoon. Bij het uitbreken van de brand begaf de brandwacht zich onmiddellijk, in volle galop, naar de kerk om aldaar op orders van de kommandant te wachten. Kwam men helemaal niet: 5 gulden boete; te laat 2 gulden, officieren dubbel tarief.

De brandwacht was kenbaar aan de door hun gedragen en gebruikte (!) wit geschilderde piek, die men op de appèlplaats bij zich moest hebben. Het was hun taak op de plaats van de brand voor een deugdelijke afzetting te zorgen en iedereen, die niet bevoegd was, te weren van de plaats van de brand. Niet iedereen was overtuigd van de voordelen van een dergelijke organisatie boven die van een vrijwillig brandweerkorps. Warm voorstander van deze laatste vorm van brandbestrijding was de heer J. H. Zandbergen, die door zijn lezing "Het nut, het voordeel en de uitwerking van een vrijwllige brandweer", voor de leden van de Voorthuizense V.V.V. de grondslag legde voor deze organisatie.

Met name wees Zandbergen op het relatief grote verloop onder de spuitgasten van de verplichte brandweer waardoor niemand met het materieel vertrouwd raakte en er telkens moeilijkheden ontstonden.
Zijn lezing op die gedenkwaardige 22ste februari 1911 miste zijn uitwerking niet en al op 10 maart vond de oprichtingsvergadering van de "Voorthuizer Vrijwillige Brandweer" plaats.

Het eerste bestuur bestond uit de heren J. H. Zandbergen, voorzitter en opperbrandmeester; D. van Voorst Dzn, vicevoorzitter en adjunkt-opperbrandmeester; C. Versteeg, secretaris en brandmeester; G. van Effrink, penningmeester en brandmeesteren G. Wijnveen, commissaris. Als opzichter over de zeilen en ladders werd benoemd de heer A. H. van Ede en als adjunkt-opzichter R. Schuur. W. van 't Ooster werd tot bode benoemd. Voor de vervulling van deze taak kreeg hij/ 10,- per jaar uitgekeerd. Evenals bij de oude, verplichte brandweer werd een brandwacht ingesteld, hier "brandpiket" geheten. Bij de Voorthuizer Brandweer werden 40 brandweerlieden en 60 pompers aangesteld. De laatsten moesten bij toerbeurt de handpomp bedienen.