Toch was men in het verleden niet onverdeeld gelukkig met de komst van de vakantieganger en dan in het bijzonder de kampeerder. De Barneveldsche Courant van 21 oktober 1892 bevatte bijvoorbeeld het volgende artikel: ,Ons kleine dorpje schijnt een uitgezocht plekje te zijn voor de vreemdelingen. Gedurende de zomermaanden genieten de logé's van de "Vergulde Wagen" van heuveltjes en wandelwegen en zijn voor de winkeliers ook werkelijk welkome gasten, terwijl het voor de overige bewoners streelend is, dat ons dorp zoo goed staat aangeschreven. Nu echter komen er minder gewenschte bezoekers want deze brengen hunne woningen zelf mee ·en was het dit maar alleen: maar wat des zomers verdiend wordt aan de bovengenoemde loopt gevaar nu weer uitgegeven te worden aan quasi hardloopers, muzikanten en andere "autoriteiten", die 's morgens bij dozijnen (of wat minder) uit hunne verplaatsbare woningen stijgen en hun route door 't dorp volbrengen, zoodat het volstrekt geen wonder is, als op één dag al de bewoners dier lucht(ige) kasteelen u aan de bel en aan de deur roepen. Wij verheugden er ons al in, dat de gewone standplaats aan de Apeldoornschen weg tot de verboden terreinen behoorde. In het .Bruqqestuk" echter schijnt men nu zijn tente weer gerust te mogen opslaan. Er 's avonds langs komende wordt men daar tenminste opgeschrikt door bassende honden en grommende huisvaders(?) of onthaald op den geur van gebakken ,,Ik weet niet watjes" en smeulend hout - dat in de tent gesprokkeld wordt - zeer waarschijnlijk. 't Zou werkelijk wel te wenschen zijn, als huurders van landerijen den toegang daartoe verboden aan dergelijke reizigers. Laat ieder zijn best daartoe doen en het zijn overige gemeenteleden naar den zin maken. 't Is ook in hun belang. Men behoeft nu juist geen lid van den raad te zijn om ook het aanzien van een dorp te helpen bevorderen.' Allengs veranderde men van gedachte en in de eerste helft van onze eeuw zorgde een aantal vooruitziende ondernemers ervoor, dat Voorthuizen zich zou gaan ontwikkelen tot wat het nu is: één van de belangrijkste vakantieplaatsen op de Veluwe. Eén van die ondernemers was de heer J. H. G. van der Woude die een kampeerbedrijf vestigde in de hiernaast afgebeelde villa "Nieuw Dennenlust" aan de Putterweg, hoek Prinsenweg. 

In de jaren dertig boden een zevental barakken daar slaapgelegenheid voor ongeveer 120 gasten: ,,De inrichting hiervan is eenvoudig, maar doelmatig en idyllisch. De plaatsing dezer logeerruimten, waarvan de grootste ca. 50 personen en de kleinste van 1 O tot 15 gasten kunnen bergen, -is dusdanig, dat bij gebruik van dit kamp door verschillende vereenigingen, of door groepen van verschillende sexe, elke groep absolute vrijheid geniet en desgewenscht geheel afgescheiden van zijn medekampgenooten van het buitenleven genieten kan. Elk der logé's zorgt voor eigen dekens (en kussens), zulks ter wille van de hygiëne. Men slaapt op stroo, dat voor elke groep steeds vernieuwd wordt. De keuken, berekend op groote groepen, is uit den aard der zaak eenvoudig; er wordt dan ook meer zorg gedragen voor smakelijke, voedzame maaltijden, dan noodelooze luxe. In de lees- en schrijfzaal, in de villa, is bij slecht weder gelegenheid voor dam-, schaak- en andere spelen. Wanneer men steeds inzage neemt van 't boek, waarin de gasten hun oordeel geven over 't verblijf op "Nieuw Dennenlust", dan reeds weet men, dat het een ideale gelegenheid is, juist ook voor ónze menschen. Wij lazen o.a.: , , 't Kampleven op deze wijze is voor mij een openbaring" en "Mijn moeder zou 't zoo ook gedaan hebben" (De Standaard 25 augustus 1933).