EEN UITNEMEND STUK WERK ...

Friedrich Wilhelm Raiffeisen (1818-1888) was een Duits ekonoom met grote verdiensten voor de ontwikkeling van het coöperatiewezen. Als burgemeester van Weyerbusch stichtte hij in 1846 een verbruikscoöperatie, ter leniging van een hongersnood. Vervolgens legde hij zien vooral toe op coöperatief georganiseerde spaar- en kredietinstellingen. Hij kan beschouwd worden als de grondlegger van het stelsel der boerenleenbanken.

De eerste boerenleenbank in Nederland werd opgericht in 1897. In juni 1898 werd de Coöperatieve Centrale Raiffeissenbank in Utrecht opgericht en vanaf dat jaar dateert de grote vlucht die dit soort banken in Nederland heeft genomen. In 1933 waren er bij de Centrale in Utrecht 700 banken aangesloten en nog een groot aantal bij de Centrale in Eindhoven.

Op 12 april 1917 vervoegde zich een achttal heren bij notaris D. C. van Nimwegen te Barneveld. Zij waren gekomen om de oprichting van de Coöperatieve Boerenleenbank te Voorthuizen notariëel vast te laten leggen. Deze heren waren: Jan Hendrik Zandbergen, landbouwer te Voorthuizen; Engbertus Hesselink, houtvester bij Staatsbosbeheer; Jacob Broekhuizen, direkteur van de zuivelfabriek te Terschuur; Pieter Bouw, logementhouder te Voorthuizen; Aalt van Hell, landbouwer te Voorthuizen; Ulbe Albertus van Loon, hoofd van de openbare school in Voorthuizen, Harmen Schuld, landbouwer te Appel en Jacob Wagenaar, landbouwer te Voorthuizen.

De reden dat juist in 1917 behoefte was aan een coöperatieve boerenleenbank in Voorthuizen laat zich gemakkelijk raden. Door de voortgaande ontginning van de heidevelden rond Voorthuizen begon het dorp zich te ontplooien. De landbouwende bevolking en de middenstand wilden op financiëel gebied op eigen wieken drijven. Het landbouwkrediet was in die tijd slecht geregeld. Zo kwam het maar al te vaak voor, dat boeren, die tijdelijk behoefte hadden aan kapitaal, krediet genoten bij de handelaren. Viel dan later de opbrengst tegen, dan waren zowel boer als handelaar het slachtoffer en kwamen beiden in moeilijkheden. De landbouwers geraakten in vele gevallen afhankelijk van de vee- of graanhandelaar en de boer moest zich dikwijls tevreden stellen met lage prijzen, terwijl op het platte land toch al van een soort gedwongen winkelnering gesproken kon worden. De eigenaardigheden van het landbouwbedrijf met zijn uitgaven gedurende het voorjaar en de zomer en de ontvangsten voornamelijk in de herfst was wel een van de oorzaken van deze toestand.

Op dinsdag 29 mei 1917 hield de vereniging zijn eerste vergadering in het "Nutslokaal" van Piet Bouw. Tijdens die vergadering meldden 22 leden zich aan. Voorzitter van de voorlopige commissie werd de heer J. H. Zandbergen, die één der medeoprichters was geweest van de al gedurende 1 O jaar bestaande Boerenleenbank van Barneveld. Het eerste bestuur bestond uit de heren H. Schuld, P. Bouw en G. van Dam. De Raad van Toezicht werd gevormd door de heren J. H. Dekker, J. Broekhuizen en A. Fikse. Tot kassier werd gekozen de heer A. van Hell, die hiervoor een salaris van / 75,- per jaar genoot. Van Hell bekleedde deze funktie tot 1930. Voor de uitoefening van het kassiersschap behoefde hij niet ver te lopen; Van Hell hield bank aan huis op het adres: Baron van Nagellstraat 1. G. van Dam volgde hem in zijn funktie op. Hij zou tot 1949 kassier van de bank blijven. ,

In 1931 werd het bankgebouw aan de Hoofdstraat in gebruik genomen. De kosten bedroegen, inklusief grond, f 23.291 ,81. In "De Standaard" van 25 augustus 1933 werd zeer hoog opgegeven van de uiterlijke schoonheid van het gebouw. Hierbij mogen we niet uit het oog verliezen dat deze speciale editie van dit 'lijfblad der Gereformeerden' één brok propaganda was: 'het fraaie gebouw, dat architectonisch op een hoog peil staat, en dan ook van velen, die den drukken verkeersweg Amersfoort - Apeldoorn passeeren, de bewondering afdwingt. Architect D. Bakker uit Voorthuizen, heeft hiermede een uitnemend stuk werk geleverd.'

In een ter gelegenheid van het gouden jubileum van de bank in 1967 gepubliceerd artikel in de Barneveldse Courant, vonden wij enkele cijfers die de groei van de bank in die vijftig jaar duidelijk illustreren:

spaargeld: 1917: t 65.000,-, 1966: f 15.627.500,-; hypotheken en voorschotten: f 3.700,- en f 9.313.299,-; geldomzetten: f 112.500,- en f 34.832.000,-. Het ledental bedroeg op 31 december 1966 950.