DE BETAALMEESTER VAN NAPOLEON EN " BLANKEBERENDSGOED"

In het lezenswaardige artikel "Pieter Budke, arts te Voorthuizen" van de hand van diens zoon in de Barneveldse Krant van 27 april 1979, komt de volgende passage voor:

,Voorthuizen was een verzorgingskern voor een vrij groot stuk platteland. Men vond er een paar smeden: Van Voorst op de hoek van de Putterstraat met de Rijksstraatweg; en de reeds eerder genoemde Van Effrink die zijn smederij op het kleine pleintje achter de Gereformeerde kerk had. Vanwege deze smederij werd dit pleintje later officieel de naam "Smidsplein" toegekend. Timmerlieden waren er, zoals Scheepers en Van Ede. De belangrijkste schilder was Schuur (begiftigd met de voornaam Rijk). Er was in het dorp een vrij groot aantal winkels, van kleine snoepwinkeltjes tot de manufacturenhandel van de firma Dekkers.'

In een paar regels somt de heer Budke hier enige oude Voorthuizense middenstanders op, waarvan wij er in het hoofdstukje ,,Smid Effrink en de Voorthuizer Juffertjes" al een aantal behandelden.

Smederij Van Voorst kwam daarin echter niet voor, een verzuim dat wij hierbij hopen goed te maken. De Voorthuizense geschiedschrijver Van Nederpelt schreef eens dat de officieel aan de Kerkstraat gebouwde smederij bijna 160 jaar lang door de familie Van Voorst werd geëxploiteerd. De eerste gegevens dateren uit 1778. Op 2 oktober van dat jaar huwde Dirk Jansen met Nennetje Merling, ook wel Nennetje Gerrits genoemd. Smid Dirk Jansen overleed echter al op 9 juli 1780. Op 12 juni 1784 hertrouwde de weduwe met Willem Hendriks, zoon van smid Hendrik Berendsz. uit Voorst. In 1812 nam deze de familienaam "Van Voorst" aan.

In de periode 1780-1784 werd de smederij door een smidsknecht in stand gehouden. Deze bouwde later "De Smeehut", een witbepleisterd huisje, fraai gelegen tussen de Bakkersweg en de Van den Berglaan.

In 1787 werd er een nieuwe smidswoning gebouwd die eerst in 1959 zou worden afgebroken. Velen uwer zullen zich dit huis nog wel weten te herinneren. De daarnaast staande smederij werd nog later afgebroken. Thans bevindt zich op deze plek een fraai winkelcomplex.

Het verhaal gaat dat smid Van Voorst, voor geen kleintje vervaard, de getrokken bajonetten van de Fransen trotseerde om brandstichting te voorkomen. Zijn moed werd beloond; de betaalmeester van Napoleon heeft daarvan de vruchten geplukt, want hij heeft enige tijd kantoor gehouden in dit huis. In 1943 werd de smederij overgenomen door de familie Brouwer. Aan de overzijde van de Hoofdstraat bevond zich in vroeger jaren ,,Blankeberendsgoed". Dit was een viertal huisjes welke

het laatst waren genummerd aan de Hoofdstraat met de nummers 160, 162, 164 en 166. Bij de bewoners van deze panden komen we bekende Voorthuizense namen tegen, zoals Erris Gaasbeek, metselaar; Jan van de Beek, kapper en kleermaker; Machiel Verhagen, bakker, winkelier; Jan van Ede, timmerman en aannemer; Willem van 't Ooster, schoenmaker; Gerrit Wijnveen, molenmaker en Willem Vonhof, postbode. Allen bewoonden zij een van de vier huisjes gedurende langere of kortere tijd.

In het zorgvuldig door gemeentebode Hendrik Bouwheer bijgehouden bevolkingsregister plaatste deze in deel 19 een potloodaantekening: ,,Blankenberntsgoed", in 't laatst van 1893 tot vier woningen verbouwd". Daarvoor was het een, met de voorzijde naar de Van den Berglaan gebouwde, boerderij, waarin van februari 1880 tot einde 1893 de uit Ede afkomstige landbouwer Samuel Takken woonde. Voor Samuel Takken bewoonde Martinus Scheeper, een slachter en later tuinman van beroep, ,,Blankeberendsgoed". Hij nam in december 1861 zijn intrek in de boerderij. In de collectie Bouwheer vonden wij een aantekening dat de boerderij in 1822 gebouwd zou zijn. De naam is echter al veel ouder. Op de in het Rijksarchief te Arnhem aanwezige tiendkaart van de landmeter Passavant uit 1697 komt de naam .Blankeberendsqoed" al voor en in een akte van de Kei narij van Putten van 13 september 1 546 wordt medegedeeld dat een zekere Gort Heimans verklaart, van haar zusterszoon Heiman Elberts haar vaderlijk en moederlijk erfdeel, te weten het Blancker Berntzguet, gelegen in het kerspel Voerthusen, ontvangen te hebben.